Preek over H.C. Zondag 31

Tekst: HC Zondag 31                                                     

 Liturgie:

Ps. 99: 8
Ps. 100: 1, 2 en 3
Mattheus 18: 15-20
Ps. 15: 1, 2 en 4
Ps. 56: 5
Ps. 24: 2

Gemeente,

De zondag die vanavond aan de beurt is, mag wel een aparte en in zekere zin een bijzondere zondag worden genoemd. Zij gaat nu over de bediening van de sleutelen van het hemelrijk; een thema waar, over het algemeen gesproken, niet zo heel veel over gepreekt wordt. Wij achten het zelfs niet uitgesloten, dat reeds deze uitdrukking, deze term: sleutelen van het hemelrijk, menigeen vreemd in de oren klinkt. En toch is de zaak, die ermee aangeduid wordt, heus wel belangrijk. Dat zult u wel bemerken. Trouwens, het gaat over een binnen en buiten zijn: binnen het hemelrijk of buiten het hemelrijk, en dat is nogal wat.

In vraag 83 staat: Wat zijn de sleutelen des hemelsrijks? Het zal welnodig zijn, gemeente, dat wij eerst iets zeggen over dat hemelrijk zelf. De vraag kan worden opgeworpen, wat hier in de Catechismus met dat woord ‘hemelrijk’ wordt bedoeld. Welnu, het antwoord op deze, en de volgende vragen, wijst uit, dat wij onder het hemelrijk moeten verstaan: de gemeente, de kerk. Die in het hemelrijk, het koninkrijk der hemelen ofwel het koninkrijk Gods. Van de gemeente zullen wij waarlijk geen klein en geringe gedachten mogen hebben, zij is het hemelrijk. Ja, op deze hoge en verheven wijze wordt, hier in de Catechismus, gesproken over de gemeente, over de Kerk. In onze Nederlandse Geloofsbelijdenis staat: buiten de kerk is geen zaligheid. Dat woord vindt men ook bij Calvijn, en ook al bij de kerkvader Augustinus. Wij zijn het al te zeer ontwend, om de kerk te zien gelijk zij is. De gemeente is de gemeente van Chr. het hemelrijk. Alleen in haar is de zaligheid, buiten haar in geen zaligheid. U zegt misschien: maar toch niet ieder lid van de kerk wordt zalig. Ons antwoord is: dat zeggen wij ook niet. En toch blijft staan, dat buiten de kerk geen zaligheid is, en dat de kerk het hemelrijk is. Dit taalgebruik van onze Catechismus mogen wij net loslaten.  Alleen, één ding moeten wij er aan toevoegen; men kan in de kerk zijn en toch niet van de kerk zijn. Men kan een dode rank zijn in de wijnstok die Chr. is, en die zijn kerk is. De ware gelovigen vormen de kerk in de eigenlijke zin van het woord, de ongelovigen behoren wel tot de kerk, maar in de oneigenlijke zin van het woord zij delen in vele weldaden Gods en het is niet Gods schuld dat zij ongelovigen zijn, het is hun eigen schuld, dat zij, hoewel zij kerkleden zijn, toch niet behouden worden. Zie gemeente, dat eerst over het hemelrijk, waarover hier gesproken wordt in deze vraag.

En nu vervolgens iets over het woord ‘sleutelen’. Het hemelrijk, anders gezegd: de kerk, heeft sleutelen. Wat sleutelen zijn behoeven wij u niet te vertellen. Als u straks thuiskomt en er is niemand om de huisdeur voor u open te doen, dan neemt u de sleutel, en u doet zelf de deur van uw huis open. Ook kerken hebben deuren, en in die deuren zitten sloten, en op die sloten passen sleutels. Zo is het met onze gebouwen. Maar zo is het nu ook met het hemelrijk. Als een gebouw wordt het ons hier voorgesteld, als een gebouw met deuren, deuren die voorzijn zijn van sloten, waarop sleutels passen. Als wij dus spreken over de sleutelmacht der kerk, ofwel over de twee sleutels van het hemelrijk, dan maken wij gebruik van beeldspraak. U dient dat wel steeds voor ogen te houden, in heel de preek die nu volgt. Het hemelrijk, de kerk, de gemeente van Chr. heeft sleutels. En om het nu maar dadelijk te zeggen: er zijn er twee. Eigenlijk is het maar één,, maar die nee kan op een zodanige wijze gebruikt worden, dat wij er twee aparte sleutels van maken; vandaar dat er gesproken wordt over twee. Ons antwoord zegt: de verkondiging van het evangelie en de Chr. ban of uitsluiting uit de Chr. gemeente door welke twee stukken het hemelrijk de gelovigen opengedaan en de gelovigen toegesloten wordt.

Welke merkwaardige sleutels gemeente: de verkondiging van het Evangelie, en de ban, ofwel uitsluiting uit de gemeente. Hebt u er ooit weleens bij stilgestaan, dat de prediking, de verkondiging van het Evangelie een sleutel is? En dat, zo vaak er gepreekt wordt, die sleutel ook gebruikt wordt? En dat er dan mensen worden binnengelaten, en mensen worden buitengezet? Met andere woorden: hebt u ooit beseft, wat er eigenlijk gebeurt, als er gepreekt wordt, dat er dan iets aangrijpends gebeurt, iets wat direct te maken heeft met uw zaligheid of het verlies ervan? Zie, dat is het waarover het gaat in deze zondag van de Catechismus. Waarlijk niet onbelangrijk en onbetekend; voor niemand. Zijn wij misschien al te zeer gewend geraakt aan de dingen van Gods koninkrijk? Zodat wij niet meer beseffen welke waarde zij hebben? Iedereen weet, dat een geldstuk, door het vele gebruik zo kan afslijten, dat het helemaal glad wordt, dat men de beeltenis van de koningin er nauwelijks meer op onderscheiden kan. En zo kan het nu ook zijn met de dingen van God. Wij hebben misschien al zo vaak de prediking gehoord, dat wij in die prediking niet meer beluisteren de stem van onze Heere; wij zijn misschien met de kerk zo vertrouwd geworden, dat wij in haar de beeltenis van onze Koning niet meer zien, en dat wij er niet meer in het hemelrijk in zien. Zie, daarom willen wij deze dingen, naar aanleiding van deze zondag van de Catechismus, u weer eens opnieuw onder de aandacht brengen.

Twee sleutelen heeft dus het hemelrijk: de verkondiging van het heilig Evangelie en de Chr. ban. Een enkel woord over die Chr. ban. Wanneer u ooit achter in uw psalmboekje hebt gebladerd, en u hebt eens de formulieren bekeken die daarin te vinden zijn, dan zult u ontdekt hebben, dat er ook formulieren voor de ban en voor het wederopheffen van de ban zijn. Deze formulieren zijn geheel in onbruik geraakt. De Chr. ban is in verval. Het komt niet meer voor, dat erin de Hervormde kerk mensen buiten de kerk worden gezet. Ik zal dat niet verdedigen. De ban zou er wel moeten zijn. De kerktucht. Zodat hardnekkige zondaren, en ook mensen die als dienaar des Woords een verkeerde leer verkondigen, buiten de kerk worden gezet, uiteraard: na lang geduld. Alleen, wij voegen er aan toe: het is erg moeilijk. En het mes zou ook in eigen vlees kunnen gaan snijden. Er komen dwalingen voor ter linker en ter rechterzijde. En zondaren die niet luisteren willen, zijn er in elke gemeente. De tucht te handhaven en uit te oefenen is waarlijk niet zo eenvoudig. Ook in andere kerken brengt men er bijna niets van terecht. Wij zullen over die tweede sleutel dus kort zijn. Uit nood. Er zou meer gedaan moeten worden in de kerk om haar zuiver te houden in leer en leven. Aan het einde van de preek willen we hier nog even op terugkomen.

Het volgende waar u op letten moet, gemeente, is dat in ons antwoord, dus het antwoord op vraag 83, gesproken wordt over opendoen en toesluiten. Dat past natuurlijk bij het beeld dat hier gebruikt wordt. Waartoe zouden sleutels anders gebruikt worden dan om te openen en te sluiten? Als u thuiskomst opent u met uw sleutel de deur van uw huis. En ’s avonds voor u naar bed gaat sluit de deur van uw huis met de sleutel. Zo is het nu ook met de deur van de gemeente, van de kerk die deur wordt opengedaan en gesloten. Niet iedereen kan zomaar binnentreden in de kerk. Zeker, u hebt gelijk: wij sluiten ’s zondags voor niemand de deur van de kerk. Wie wil, mag binnenkomen. Niemand belet u naar de kerk te gaan en niemand belet u hier binnen te komen. Het is zelfs zo, dat iedereen die binnen wil komen, van harte welkom is. Maar dat is niet alles wat over de toegang tot de kerk te zeggen valt. Er is veel meer. Wanneer nieuwe lidmaten zullen worden bevestigd, dan is er daaraan het een en ander voorafgegaan. Die nieuwe lidmaten hebben onderwijs ontvangen. Zij zijn er op voorbereid. Er hebben gesprekken plaatsgevonden, waarin zij gewezen zijn op het gewicht van deze zaak. Zij zijn niet zomaar toegelaten. En zo moet het ook. De kerk dient zorgvuldig om te gaan met haar leden en met allen die belijdende leden wensen te zijn, en daarmee ook toegelaten worden tot het heilig sacrament van het Avondmaal. Wij gebruikten sleutels. Wij ontsluiten de deur van de kerk niet voor iedereen. Die deur gaat pas open als men zich voorbereid hebt. Maar wij moeten nog een stapje verdergaan. Het hemelrijk, waarover in de Catechismus gesproken wordt, is in het bijzonder de kerk als gemeenschap der heiligen, lichaam van Chr., de gemeente die zalig wordt. Want dát is de kerk ten diepste. Nogmaals, op de kerk moet ge u niet verkijken. Uiterlijk gezien is zij een bont gezelschap van mensen, ja zondig en verdorven mensen. Maar in de ogen Gods, en voor het geloof is de gemeente veel meer. Het volk Gods! Ja zeker, hoewel er ook ongelovigen en geveinsden in haar voorkomen, toch de gemeente Gods, het hemelrijk! Als u het net ziet dat gescheurd is, en waarin nauwelijks meer een vis te vangen is, dan noemt u het toch nog een net. Als u een huis ziet waar het dak van afgebroken is, dan noemt u het toch nog ene huis. Ja als u een kerk ziet die door de brand een stuk verwoest is dan noemt u dat toch een kerk. Zo is het nu met de gemeente van Chr., hoeveel ongelovigen er ook in voorkomen, toch nog de gemeente van Chr. Waar dan nog bijkomt dat wij niet kunnen uitmaken wie de gelovigen zijn en wie niet. Wie de oprechten zijn en wie de geveinsden zijn.

Dus: Het hemelrijk, de deur van de gemeente wordt opengedaan en gesloten. En wij doen dat met twee sleutels. Met de verkondiging van het Evangelie en met de Chr. ban. Zie, gemeente zo moet u de prediking waarderen. Haar beluisteren als een open en dicht doen. De deur gaat voor u open en de deur gaat ook weer dicht. Open voor degenen die geloven, dicht voor degenen die niet geloven. Hoe horen wij dan het Woord? Is het met geloof? Op het geloof komt het aan.

Nu vraag 84. Hoe wordt het hemelrijk door de prediking van het heilig Evangelie ontsloten en toegesloten? Het gaat nu dus over die eerste sleutel. De prediking van het heilig Evangelie. Voor wij het antwoord behandelen kan ik niet nalaten u toch even te wijzen op die mooie en treffende uitdrukking: prediking van het heilig Evangelie. Wat wij dienaren des Woords hebben te zien als onze roeping, als onze opdracht, is: de prediking ofwel de verkondiging van het heilig Evangelie. Er staat niet: de verkondiging van de Wet, en staat zelfs niet eens: de verkondiging van het Woord Gods. Waarom niet? Omdat het Evangelie de eigenlijke inhoud, de hoofdinhoud moet zijn van hetgeen de dienaren des Woords verkondigen. Zeker, ook de Wet moet gepreekt worden, maar niet de Wet het meest, en niet de Wet vooral, en zeker niet de Wet alleen. Waar het in het Woord van God en dus ook in de prediking het meest op aankomst is het Evangelie. Wanneer u ooit zou komen te verkeren onder de prediking van iemand die vooral de Wet brengt, dan mag u denken bij uzelf: dat is niet naar de Catechismus. Als wij u vooral, en bijna uitsluitend, dood, hel en verdoemenis zouden verkondigen, dan handelden wij in strijd met de Catechismus, ja in strijd met Gods Woord, want Gods woord is vooral het Evangelie. Wij zijn niet dienaren der Wet, wij zijn dienaren van het Evangelie. Wij preken niet Mozes, wij preken Chr. In Chr. is het leven en het behoud, en daarom is Chr. de eigenlijke inhoud van onze prediking. Zo wil het ook in onze Catechismus.
En dan het antwoord er staat: Als, volgens het bevel van Chr. aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun zo dikwijls als zij de beloftenissen van het Evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om de verdiensten van Chr., vergeven zijn; daarentegen alle ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren; naar welk getuigenis des Evangelies God zal oordelen, beiden in dit en in het toekomende leven.

Zie hier het antwoord, lang en uiterst belangrijk, vol uitdrukkingen, die in één preek niet te verwerken zijn. Wij zullen er gemeente, tien punten uit naar voren brengen.

Ten eerste, er wordt gesproken over de beloftenis van het Evangelie. Heel het Evangelie is samen te vatten in het woord ‘belofte’. Wat is het Evangelie? Het is een belofte! En zeg nu niet, dat dat weinig is. Ja, maar zegt u: ik heb liever de zaak zelf dan de belofte. Ik heb liever dat mijn fl100,- wordt gegeven dan fl 100,- wordt beloofd. Dat begrijp ik, zo is het in de wereld. Bij God is het echter anders. De belofte en het beloofde zelf zijn bij Hem één. Als Hij mij het eeuwige leven beloofd, dan heb ik ook het eeuwige leven. Zo zeker en gewis is bij God de belofte, dat zij gelijk staat met het hebben van hetgeen beloofd is. Ik wil dat uit de Schrift bewijzen:

Abraham en alle gelovigen onder het oude verbond hadden de belofte, maar in die belofte hadden zij ook al het heil dat hun beloofd werd. Jaco zei op zijn sterfbed: op uw zaligheid wacht ik Heere, maar, wat dacht u, zou hij niet toen al die zaligheid gehad hebben? Gewis is Jacob zalig geworden. Als de dichters van onze psalmen bidden om de vergeving der zonden, dan horen wij hen in een en dezelfde psalm om de vergeving der zonden vragen en God er voor te danken. Zij omhelsden in geloof Gods belofte en zo hadden zij ook al wat zij vroegen. Dus heel het Evangelie is een en al belofte. Men kan niet het Evangelie preken zonder de beloften Gods uit te stallen. En u die het hoort ge leeft onder de beloften Gods. Verwerpt u in ongeloof die beloften, dan wordt het anders. Maar dan ligt dan ook aan u en niet aan de Heere God. O open toch altijd uw oren om het Evangelie te horen, om die heerlijke uitnemende en onmisbare beloften Gods u te horen aanprijzen en veracht ze niet.

In de tweede plaats, er staat in dit antwoord ook het woord ‘aannemen’. De beloftenis van het Evangelie, zo lees ik, dient met een waar geloof te worden aangenomen de bijbel spreekt over het Evangelie soms in de termen van een markt. ’s Zondags wordt er markt gehouden. De markt der vrije genade. Daar is te halen, te ontvangen, voor ieder wat hij nodig heeft. Niemand behoeft ledig huiswaarts te gaan van deze markt der genade. Daar worden ons de hemelse goederen om niet aangeboden. Niet tegen geld en niet tegen arbeid, maar om niet. Komt koopt en eet zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. Weet u wat wij nodig hebben? Een gelovig hart. Zo zegt ook de Catechismus het: met een gelovig hart dient de beloftenis van het Evangelie te worden aangenomen. U zegt: maar ik heb geen gelovig hart. Ons antwoord is: ook dat ligt daar uitgestald, op die mark van vrije genade. De Heere wil het geven. Hij kan uw hart neigen, het gelovig maken, het gehoorzaam maken. Steek uw hand maar naar Hem uit en naar hetgeen Hij u aanbiedt, en Hij zal u helpen. U zult bemerken, dat u het niet doet, maar dat Hij het doet. Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Ons gebrek aan geloof is nooit verontschuldiging. De Heere veracht het kleine niet. Al is er maar een begeerte, ook dat is al geloof, ook dat telt de Heere al mee. Een kind in ons midden dat lust heeft om de Heere te vrezen, telt bij de Heere God mee. Jonge mensen die soms worstelen met de vraag: en is het ook voor mij -, mogen horen: het is voor u! als wij een bevende hand uitsteken naar de beloftenis van het Evangelie, de Heere zal die hand niet wegduwen. Hij al die hand sterken, die hand komt al van Hem, hij doet u verlangen naar zijn genade.

In de derde plaats, er staat in ons antwoord: al hun zonden vergeven. Zie hier, heel kort, wat de inhoud is van de belofte van het Evangelie. De vergeving der zonden. Dat wordt u beloofd, zo vaak er gepreekt wordt dat is de boodschap die steeds doorklinkt in elke preek, hoe verschillend de teksten zijn die behandeld worden. Steeds weer, elke zondag, de genade Gods. Of de preek uit Genesis of uit Openbaringen, of uit welk ander bijbelboek ook. De genade Gods is de gouden draad die loop door al onze preken. En dat is geen wonder, want zij is DE belofte Gods. De hoofdbelofte. Het ene nodige. Waar allen heiligen, ongeacht in welke eeuw zij leefden, God de Heere om gebeden hebben. De steeds weerkerende belofte. Want zijn wij niet zondaren en zondaressen? Hebben wij niet Gods genade nodig? De vergeving van onze zonden? De verzoening met God? Wij dan, gezanten van Chr. wege bidden u, alsof God door ons bade: laat u met God verzoenen. Met dat woord komen wij, ook al zeggen wij het niet altijd even duidelijk, elke zondag op de preekstoel. Preken het Evangelie is niet anders dan de hand aan zondaren toe te steken, met de nodiging erbij, die hand in geloof aan te grijpen en zo gered te worden. God, die naar recht kan toornen, wil niet toornen. Zijn toorn is afgewend. Zij is geblust. Op Chr. kwam zij neer, het Lam Gods dat de zonden der wereld wegdroeg. O hoor dan die boodschap, dat woord der verzoening.

In de vierde plaats, er staat: om de verdiensten van Chr.’ wil. Anders was het voor ons verloren. Hij verdiende genade bij God. Nu is zijn zoenbloed onze redding. Altijd weer wijzen wij op Hem. In de lijdenstijd maar ook daarbuiten. En de gemeente mag dat nooit moe worden. Moet altijd weer bereid zijn te horen van die ene Naam. Het mag u niet een last zijn, het moet u een lust zijn Zijn Naam te horen verkondigen. Een gemeente die niet meer van Chr. wil horen, is niet waard nog een gemeente genaamd te worden. Wie een vogel van zijn vleugels beroofd houdt geen vogel meer over, want het woord vogel komt van vliegen, wie een gemeente van de prediking van Chr. beroofd houdt geen gemeente meer over, want zij is de gemeente van Chr. of zij is niets.

In de vijfde plaats, er staat in het antwoord het woord ‘gelovigen’. Het geldt de gelovigen. Nu schrikt u misschien. Misschien zegt u; ben ik dat? U huivert er voor terug uzelf te rekenen tot de gelovigen. Maar wie zijn de gelovigen? Die het Evangelie horen, en het, om de taal van onze Catechismus te gebruiken, het aannemen met een gelovig hart. Immers, zo staat er. Die zijn de gelovigen die arm, zondig, schuldig in zichzelf zijn, om Gods genade verlegen zijn, begeren behouden te worden alleen door Chr., en zijn Evangeliewoord met dankbaarheid aanhoren, ja dat Woord ook als uit de hand des Heeren ontvangen. Zie, dat zijn de gelovigen. En zeg nu zelf: of u daar bij behoren wilt of niet.

In de zesde plaats, er staat: aan die allen en een iegelijk. De Catechismus wil zeggen: klein en groot, jong en oud, mensen met een zwak en klein geloof en mensen met een sterker geloof. De Heere telt ze er allen bij. Onze God is goed en vriendelijk en milddadig. Niemand zegge: ik ben te jong, en niemand zegge: ik ben te slecht. Aan de Heere ligt het niet. Als het misgaat dan ligt het alleen aan u. dan zegt de Heere: Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik uw kiekens bijeen willen vergaderen en gij hebt niet gewild.

In de zevende plaats, er staat dat dit Evangelie, deze belofte Gods te weten van de vergeving der zonden, verkondigd en openlijk betuigd moet worden. Met luide stem, zo wil God het. Een prediking als het ware van de daken. Als deze zwijgen dan zullen de stenen spreken. Het Evangelie zegt Luther is een luide mare. Een boodschap die klinken moet door het hele land. Vroeger gebeurde het wel dat er door vorsten iets had gedaan wat niet mocht, en de overheid gaf vergeving, dan werd dat als een generaal pardon door het hele land uitgebazuind. Zo is nu het Evangelie. Een generaal pardon. Voor allen die er in willen delen. God betuigt genade. Openlijk, voor allen en een iegelijk wordt dat uitgebazuind. Hebt u het al gehoord? Hebt u er ook al een heilig gebruik van gemaakt? Zie, dan is de deur van het hemelrijk voor u opengaan. Zag u dat? Hebt u er u over verwonderd? Verwonder u over het Evangelie, deze sleutel tot het hemelrijk. Als de deur opengaat, blijf dan buiten staan. Stap vrijmoedig binnen, de Heere zelf heeft u genodigd. Wees niet als die genodigden tot het Avondmaal, zij hadden allen hun verontschuldigingen, zij kwamen niet. En wat gebeurde er toen? Er kwamen anderen, want het huis moest toch vol worden.

In de achtste plaats, er staat: daarentegen alle ongelovigen en die zich niet van harte bekeren… ja die zijn er ook. Hoe droevig het ook is het is niet te ontkennen. Zij lopen op de markt der vrije genade, zij zien al die goederen daar liggen die God belooft aan allen die Hem zoeken, maar zij lopen er aan voorbij. En nu behoeven wij, gemeente, niemand met de vinger aan te wijzen. Toen de discipelen met de Heere Jezus aan de Avondmaaltafel lagen, zei Chr.: één van u zal mij verraden en daarop antwoorden de discipelen: ben ik het Heere? Ben ik het Heere, nee toch -, laat dat onze reactie zijn als wij horen dat er ook ongelovigen zijn in de gemeente die zich niet van harte tot God bekeren. Ben ik het Heere, neen toch?

In de negende plaats, er staat: hun wordt verkondigd en betuigd, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren. Ontzettend! Neen, daar doen wij niets van af. Wij doen geen kruimel af van het brood van het Evangelie, maar wij doen ook geen vonkje af van het vuur van de hel. De ongelovigen en die zich niet van harte bekeren, worden buitengesloten. U hoort: de Catechismus kent geen pardon. De Catechismus zegt niet: maar je kunt er toch niets aan doen. De Catechismus brengt niet in rekening allerlei verontschuldigingen, waarin de mens zich beroept op zijn onmacht. Niets daarvan! De Catechismus stelt het onbekeerd zijn voor als een onnoemelijk groot kwaad. De Catechismus spreekt ook niet over het bekeerd worden maar over het zich bekeren. De mensen vluchten vaak in de gedachte van het moeten bekeerd worden. Zij zien over het hoofd, dat zij zich niet bekeren willen, althans zich niet van harte willen bekeren. De mensen vluchten ook vaak in het niet kunnen geloven, zij zien over het hoofd dat zij niet willen geloven. Zij denken veel te goed van zichzelf, ofschoon het de schijn heeft dat zij heel slecht van zichzelf denken. Wie waarlijk van zichzelf denkt gelijk het behoort die zegt: ach, Heere, wat leeft er in mij toch een onwil, een ontzettende onbekeerlijkheid, een krachtig ongeloof. Maar zie, zodra dat waarlijk onze klacht is, dan begint de macht van het ongeloof al in ons gebroken te worden. Dan is de Heere al met ons bezig. Mochten wij nog geheel onwillig zijn, of bedrieglijk zijn mocht de duivel ons nog gans in zijn macht hebben, ach let dan eens op hetgeen hier staat! De toorn Gods en een eeuwige verdoemenis, dat zijn woorden waar u niet overheen moogt lezen. Grijpen zij u niet aan? Vlucht nog tot uw Heere, tot Hem, die de toorn Gods tegen de zonde gedragen heeft, en die nedergedaald is ter helle. Opdat er voor allen die op Hem vertrouwen geen verdoemenis meer wezen zou, en de toorn Gods zou zijn gestild.

En nu nog het tiende punt, gemeente. Er staat: naar welk getuigenis van het Evangelie God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven. God zal oordelen, wil onze Heidelbergse Catechismus zeggen, naar hetgeen door mij en door u en door allen die leven onder verkondiging van het Evangelie met dat Evangelie gedaan is. En dat is niet pas alleen na dit leven, dat is ook nu al. Als u wilt weten hoe God over u denkt, hoe Hij over u oordeelt, ook op deze dag, sta dan eens stil bij de vraag wat u doet met het Evangelie. Neemt u het aan of verwerpt u het? Begeert ge de vergeving van uw zonden, of begeert ge haar niet? Zoekt ge in Chr. uw zaligheid, of doet u dat niet? Is het Woord der verzoening uw troost in leven en sterven of zoekt ge niet die troost? Hieraan kunt u weten of u binnen of buiten bent, of God u vrijspreekt of verdoemt. De beslissing voor de mens valt niet pas bij de dood, zij valt nu al. In het oordeel na de dood zal God niet anders spreken dan Hij nu spreekt. Zoals Hij u nu beoordeelt, zo zal Hij u ook beoordelen op de jongste dag. Het Evangelie veroordeelt ons of het spreekt ons vrij, alnaargelang het ons tot zegen was of niet. O onderschat toch niet de prediking van het Evangelie. Dat zeggen wij tegen u, maar dat zeggen wij ook tot onszelf. Wij die dienaren van het Evangelie zijn kunnen niet diep genoeg beseffen hoe verantwoordelijk ons werk is. Het gaat om binnen of buiten. Binnen is binnen en buiten is buiten. Maar er is nog het heden der genade. Wie nog buiten is kan binnenkomen. Nog gaat de deur open.

Zo vaak het Evangelie verkondigd wordt. Dat staat ook in het antwoord op de volgende vraag. De ban is niet het laatste. Ook wie buiten de gemeente is gezet kan nog weer worden opgenomen. Tucht is trekken, trekken tot Chr. en tot zijn gemeente. Zij is: de afgedwaalde schapen terugbrengen. Nooit moeten wij iemand geheel afschrijven. De Heere kan nog wonderen doen. En moeten niet op wijze van zijn wondermacht het hebben? Wij zijn zelf tot niets in staat. Onze bede moet gedurig weer zijn; Heere trek ons, dan zullen wij U nalopen; bekeer ons dan zullen wij bekeerd zijn. Maar dat gebed zult u dan ook niet mogen nalaten. Want dat zou zijn die hardnekkige onbekeerlijkheid waarvan de Catechismus zegt, dat zij de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis verdient. Nog staat en gaat de deur open. De Heere sluit nog niet voorgoed. Wel gaat de deur dicht voor de ongelovigen, dan gaat ook voor hen de deur open.

Wat is er heerlijker dan binnen te gaan. Binnen te gaan in het hemelrijk. Hier al op aarde en straks voor eeuwig. God geve dat wij allen  mogen binnengaan. Binnen si voor u het leven. Alleen daar. Binnen. Wij nodigen u binnen te gaan.